Lucette ter Borg | Haar oogopslag is privé

En dan ineens staat er tussen het knisperende bamboe, aan de rand van de vijver, in een tamelijk vergeten hoek op de Paltz, een betonnen bankje. Het is geen gewoon bankje, al is het zitvlak glad gepolijst en gevouwen tot een gladde gebogen rechthoek. Het bankje heeft twee, best plompe steunberen die overdadig zijn versierd met een potpourri van Aziatische en Christelijke figuren. Ook is er een palmtak afgebeeld die iedereen lijkt te verenigen. Zo’n palmtak staat symbool voor veel: overwinning, vrede, het paradijs, maar ook een nakende marteldood.

foto Gerard Wielenga

Het bankje, dat zo’n veertig jaar geleden in een tuincentrum is gekocht, voelt altijd klam aan, zo vlak bij het water en in de schaduw van de bomen. In de tijd dat ik op de Paltz woonde, was de zitting bemost en het paadje dat er nu langs kronkelt, overwoekerd. Iedereen keek eigenlijk langs het bankje heen – misschien omdat er zoveel geuren, zoveel vogels (niet alleen kool- en kuifmeesjes, spechten, boomkruipers, gezellige roodborstjes, een zeldzame goudvink), zoveel kleuren om aandacht streden.

Maar nu heeft dat bankje een ereplaats op de Paltz, en dat is danken aan kunstenaar Karin van Pinxteren (1967). Tot haar grote verrassing had geen van haar collega-kunstenaars dat bankje opgemerkt als plek om een nieuw werk te maken – maar zij wel. “Onmiddellijk”, zegt ze.

Omdat ik het werk van Van Pinxteren een beetje ken, verbaast me haar keuze niet. De beschutte plek iets uit het zicht, de mogelijkheid die het bankje biedt om te midden van publiek een plek voor jezelf te scheppen, met geluid, beeld en vooral veel verbeelding – dat is allemaal inherent aan Van Pinxterens manier van werken. Haar aandacht richt zich – zonder dat je dat als kijker krijgt ingewreven – op de lijn die loopt tussen wat van jezelf is en wat van een ander, op de grens tussen jou en de wereld, hoe die grens in stand te houden en hoe haar te doorbreken. Soms voelt de lijn streng aan – dan maakt Van Pinxteren letterlijk een privé-kabinet waar je als bezoeker niet binnen kunt stappen maar alleen maar door ovaalvormige kijkgaten naar binnen kunt kijken. Soms ook is de lijn zacht, kronkelig en veranderlijk – alsof de grens tussen binnen en buiten nooit vast is, nooit definitief wordt bepaald. Zoals een oogopslag niet in één beweging duidelijk maakt waar de persoon in kwestie aan denkt.

Dat laatste is ook het geval bij het nieuwste werk Pauw met onkruid dat ze voor de Paltz heeft gemaakt. Pauw met onkruid bestaat uit twee delen – met het bankje erbij drie. Er is een kleinere variant van een groter kabinet of kamer, die ik zag op een vroegere tentoonstelling. De vorm van dat kabinet deed mij denken aan de zoötoop of de ‘wondertrommel’ (wat een fijn woord), die de Belgische natuurkundige en wiskundige Joseph Plateau in 1833 ontwierp. Plateau had jaren onderzoek gedaan naar de breking van het licht en het fenomeen van ‘nabeelden’. Toen ontdekte hij dat hij de figuren die hij op de binnenkant van een trommel schilderde en die te bekijken waren via langwerpige kijkgaten, in beweging kon brengen worden door de trommel rond te draaien. Het leek magie: een paard ging er daadwerkelijk in galop vandoor, een danseres draaide tot in het oneindige rondjes om haar as – en niemand werd ooit moe.

Nu staat er een mini-wondertrommel van vermiljoen op het potpourri-bankje waar ik plaats neem. Het bamboe fluistert in mijn oren, achter me hoor ik de kikkers, in de verte hoor ik de eigenaren van de Paltz met elkaar praten. Hun stemmen zoemen zacht, zoals de stemmen van mijn ouders op late zomeravonden zoemden als ze in de duisternis van de tuin de dag doornamen en wij als kinderen in bed lagen. Dan zet ik Van Pinxterens audioverhaal aan.

“Er gebeurt nooit iets”, zegt de kunstenaar in mijn oor, “maar tijdens het ontwaken droogt de wereld op.” Ik dompel me onder in een verhaal dat meandert van het idyllische landschap op de Paltz naar een drukke steeg in een grote stad in China. Langzaam verdwijnt de omgeving om me heen en ben ik daar, bij een man die op zijn buik op een bankje slaapt  te midden van de drukte. Het is een vederlicht en kwetsbaar particulier moment dat ik – met de vertelster – zou willen vastleggen. Ik aarzel, ik durf niet, ik loop verder. Maar verderop heb ik spijt en keer terug naar de steeg. Daar vind ik het bankje leeg. De man is verdwenen. Ik zucht. Van zijn slaap in de drukte is alleen een herinnering over, en geen gestolen beeld.

foto Gerard Wielenga

© Lucette ter Borg

naar het Paltzbiënnale-blog van Lucette ter Borg, verschenen op 19 juni 2021