In het oerbos van de taal

Dirk van Weelden spreekt zijn speech uit op 13 juni bij de solotentoonstelling ‘Ruimte innemen vergt een zeker karakter’ in Cityscapes Mental Space, Amsterdam, 13 juni -18 juli 2020

Taal heeft een lichaam, altijd, ook als dat lichaam bestaat uit positief en negatief geladen moleculen die getallenreeksen coderen, die weer symbolen zijn voor letters, woorden en zinnen. Of voor de elektronisch teruggespeelde opname van het geluid van jouw stem. Ook als taal verschijnt in pixels op beeldschermen of bestaat uit inkt, papier en letters. Taal heeft een lichaam, of het nu dankzij een biologisch organisme is of via een ander wezen of voorwerp.

Taal kan niet zonder lichaam en toch valt ze er nooit mee samen. Of taal nu verschijnt als een geluid of als een letterbeeld of karakter, -en zelfs als we die klanken en woorden niet begrijpen-, dan nog voelen we het vermogen van de taal los te komen van het hier-en-nu van het lichaam. Taal bezit een leven dat een eigen loop heeft, en kan zich als idee, verhaal, meetresultaat, roddel, theorie, gerucht verspreiden en vermengen, veranderen en voortplanten. Er is zoveel taal, als individuen wonen we erin zoals inheemse bewoners in het Amazone-woud.

De taal mag alomvattend en onoverzichtelijk zijn voor een enkeling, ze is door mensen voortgebracht. In de taal zit mee-geprogrammeerd dat het een vorm van energie is die tussen lichamen beweegt. Gezegd en gezongen veronderstelt gehoord, geschreven veronderstelt ooit gelezen. Luisteren en lezen zijn lichamelijke activiteiten. Ook al zitten er eeuwen tussen. Ook al is er meer geschreven en opgenomen dan we ooit nog kunnen lezen en beluisteren.

En toch, tijdens al het luisteren en spreken, het schrijven en lezen blijkt al snel dat de taal bij lange na niet in staat is te kunnen bevatten, vangen en over te dragen hoe wij als levende lichamen het bestaan en de wereld ondergaan. Alle tekst, al het bewuste denken en praten ten spijt, zijn onze levens van de wieg tot het graf gevuld met een kolkende chaos aan indrukken, vermoedens, ontmoetingen, verlangens en angsten die nooit taal worden.

naar de levendige speech op Vimeo

Hier, op het kruispunt waar we kijken naar taal en lichaam, tekst en beeld die hun dans doen, en duidelijk wordt dat we in het oerbos van de taal leven, maar een leven lang beseffen dat het meeste van wat we meemaken taal-loos blijft, daar ontmoeten we het werk van Karin van Pinxteren.

Op deze tentoonstelling is een op verzoek gemaakte selectie te zien van werk dat ontstond tijdens of naar aanleiding van reizen die Karin maakte. Naar China, Spanje, Italië, de Verenigde Staten van Amerika enzovoort. Reizen die ze met grote tegenzin ondernam. Het is geen koketterie dat erbij te vermelden, omdat het helpt onze antennes af te stellen op de golflengte waarop dit werk opereert.

Een reiziger, beroofd van zijn beschermende laag van vaste gewoontes, vertrouwde indrukken en culturele voorkennis vraagt zich al gauw af: wat ik nu waarneem, betekent dat iets, en zo ja wat? En kan ik eigenlijk wel iets duiden en begrijpen van wat hier is, gebeurt en van wie hier leeft? 

Dit besef van vreemdheid, dat uit gelijke delen verwondering, fascinatie en angst bestaat, is de basis van Karins werk. Het wordt door reizen natuurlijk verhevigd. Haar werk ensceneert met grote precisie en theatrale nadruk wat je een zelfbewuste metaforische waarneming zou kunnen noemen. Een blik die zich openstelt voor ruimte, vorm, kleur, tekst en materiaal vanuit een vraag naar die vreemdheid.

Wat betekent het, wat ik zie? Wat betekent het dat ik hier ben? Wat betekent het dat ik iemand ben, die ene? Wat betekent deze blik en ontmoeting met die vreemde ander?

Misschien dat nu de indruk ontstaat dat het hier om de expressie van overgevoelige subjectieve indrukken en emoties gaat. Dat zou een gruwelijk misverstand zijn. Dit werk komt niet voort uit de zelf-overtuigde bevestiging van de indrukken die Karin ondergaat als ze door de stegen van Napels loopt, nee, ze maakt ruimte voor de vragen die ze oproepen. En dus komt het ook voort uit vragen naar haar eigen associatie of uitleg van wat ze hoort en ziet. Ze brengt zo kort en precies mogelijk de onzekerheid en meerduidigheid in kaart die met de vreemdheid van dat moment wordt ontsloten. Dit is een subjectiviteit die niet bestaat uit passief ondergaan en reflexief reageren, maar die zijn eigen ontstaan bevraagt, en ontdekt dat die meerduidigheid en vreemdheid niet alleen verwarrend en angstig kan zijn, maar ook een tussenruimte is waar je ondanks die emoties iets kunt ontdekken, uitproberen en onderzoeken. Om taal en beeld iets samen te laten dansen dat ze alleen niet kunnen.

Dat is wat ze doet, door een uiterst beheerst en kundig gebruik van de techniek. Zo is ze in staat zich de kracht van haar subjectiviteit niet persoonlijk aan te trekken, alsof het iets heel bijzonders en geweldigs is, want dat zou alleen maar droevige of romantische, angstige of uitgelaten reflexen opleveren. In Karins werk wordt die energie van het subjectieve gebruikt om actief, met vorm, kleur, materiaal, letters en lijnen, ruimte te maken voor iets dat niet van haar alleen is, maar van iedereen, dat overal is. En dat zich nu, in deze gedaante, hier ‘zo’ laat zien. Niet om daar een oordeel over uit te spreken, nee, om het te laten zijn. Om het tijd en ruimte te geven om te bestaan.

Dit is, in tegenstelling tot wat de eerste indruk kan zijn, geen ontwijkend en voorzichtig werk. Het ziet er dan wel niet zo rauw en provocerend uit, maar het leidt met al zijn bescheiden vormen en subtiele ingrepen direct naar een dreigende aanwezigheid in het leven van ieder van ons. In de schaduw, tussen de coulissen van ons bewustzijn huist het besef dat uiteindelijk onzeker is wat alles betekent. Wat betekent zeewater? Een boom, mijn hand? Onze winstmarge? Het zinsdeel ‘omdat ik zoveel van je houd’? Ze betekenen van alles en straks weer iets anders en waarschijnlijk betekent het allemaal in feite niets. Of beter: is het allemaal verzonnen, een gevolg van waar je staat, wat je wilt, wie je bent, waar je bang voor bent. Wat we de werkelijkheid noemen en waarin we als maatschappij leven is een altijd in aanbouw zijnde stad van betekenissen, en daarvan afgeleide normen, regels en gewoontes die we voor de zekerheid als pasmunt uitwisselen. Om de boel overeind en gaande te houden. Om niet gek te worden, om te kunnen werken, aan ons eten, onze aandacht en seks te komen.

De fundamentele betekenisloosheid hoeft niet te worden bestreden en ontkend, niet te worden overschreeuwd en verketterd. Het mag vreemd, fascinerend en angstaanjagend zijn, het is ook de ontdekking van een vorm van vrijheid. Betekenis ontstaat in een relatie tussen mensen die elkaar waarnemen, spreken, schrijven, lezen, beluisteren, ook al doen ze dat van afstand, in een uitgerekt en soms stilgezet tijdsbestek. 

Het werk van Karin van Pinxteren brengt je op een plek, dat kruispunt waar ik het eerder over had, waar het voor je ogen gebeurt: een ontmoeting van een talig lichaam, met een stad, een dorp, een ander, die leidt tot een werk, dat twee dingen pijnloos in elkaar vouwt: het vreemd worden van de eigen waarneming, en het ruimte maken voor de eigenheid van het andere. Als je heel waarachtig, geduldig, precies en inventief te werk gaat, kan dat iets opleveren dat er heel vanzelfsprekend uit ziet. Dat danst en een stil gebaar maakt, dat speelt en zingt, en je een dag en een nacht lang diep in je ogen kijkt, tot je vraagt ‘wat is er gebeurd?’ ook al leek het maar een seconde. 

Dirk van Weelden  13 juni 2020